Module 2 - Academische toon en precisie

image.png

Doel

In deze module leren cursisten vage taal herkennen en verbeteren. Zij leren preciezer en zakelijker formuleren zonder nieuwe inhoud toe te voegen.

Belang

Deze module is belangrijk omdat juridische teksten duidelijk en controleerbaar moeten zijn. Vage woorden maken een tekst zwakker en kunnen zorgen voor misverstanden. Cursisten leren daarom hoe kleine taalkeuzes grote gevolgen hebben voor de kwaliteit van een tekst.

Kern

De kern van deze module is dat een goede juridische tekst precies, neutraal en toetsbaar is. Cursisten leren het verschil tussen vage en sterke formuleringen. Zij leren ook dat een tekst juridisch sterker wordt als woorden concreet, afgebakend en objectief zijn.

Extra uitleg voor de docent

Veel cursisten denken dat een zin al goed is als hij ongeveer klopt. In deze module leren zij dat ongeveer niet genoeg is. De lezer moet direct kunnen zien wat bedoeld wordt. De docent helpt cursisten daarom steeds met deze vragen:

  • Wat is hier vaag?

  • Welk woord is niet toetsbaar?

  • Kun je dit concreter maken zonder iets nieuws toe te voegen?

  • Is de toon neutraal genoeg?

Juridische achtergrond

In juridische teksten moet de formulering precies zijn. Woorden als waarschijnlijk, best, misschien, redelijk of later zijn vaak te vaag als zij niet verder worden uitgewerkt. Een juridische tekst moet duidelijk maken wat vaststaat, waarop een beslissing rust en wat de gevolgen zijn. Daarom is precieze taal een belangrijk onderdeel van juridisch schrijven.

Docentfocus

De docent let in deze module vooral op:

  1. het herkennen van vaagtaal

  2. het verschil tussen subjectief en objectief formuleren

  3. de zakelijke toon

  4. het aanscherpen van conclusies

  5. het vermijden van nieuwe inhoud bij herschrijven

Uitleg bij de theorie


De theorie van deze module legt uit dat woordkeuze bepaalt hoe duidelijk en sterk een tekst is. Vage woorden laten ruimte voor twijfel. Precieze woorden maken een tekst controleerbaar. De docent hoeft dit niet te abstract uit te leggen. Laat vooral zien wat het verschil is tussen een zwakke zin en een sterke zin.

Modelanalyse

De modelanalyse is belangrijk omdat cursisten daar zien hoe kleine veranderingen een tekst sterker maken. De voorbeelden laten goed zien hoe een vage formulering verandert in een concrete en juridisch betere formulering.

Antwoorden gerichte kijkanalyse

  1. Welke drie zinnen in de modeltekst zijn vaag geformuleerd en waarom?
    Antwoord:
    De student heeft zijn opleiding al een tijd geleden afgerond.
    Instellingen mogen persoonsgegevens bewaren wanneer daar een goede reden voor bestaat.
    De onderwijsinstelling kan het verzoek gedeeltelijk honoreren.
    Waarom: Deze zinnen zijn te vaag. Tijd, reden en reikwijdte zijn niet duidelijk genoeg.

  2. Welke concrete tijdsaanduiding maakt de eerste verbetering controleerbaar?
    Antwoord: Twee jaar geleden.
    Waarom: Deze tijdsaanduiding is concreet en toetsbaar.

  3. Welke woorden laten in de tweede verbetering zien wat de objectieve grondslag is?
    Antwoord: Wettelijk verplicht.
    Waarom: Deze woorden verwijzen naar een duidelijke en controleerbare basis.

  4. Welke informatie ontbreekt bij gedeeltelijk honoreren en waarom is dat een probleem?
    Antwoord: Het is niet duidelijk welke gegevens wel en niet worden verwijderd.
    Waarom: De lezer weet daardoor niet wat de uitkomst precies is.

  5. Welke vier middelen voor precisie worden aan het einde van de modeltekst genoemd?
    Antwoord:
    concrete tijdsaanduidingen
    afgebakende begrippen
    objectieve grondslagen
    expliciete consequenties
    Waarom: Deze vier middelen maken een tekst duidelijker en juridisch sterker.

Antwoorden oefening 1

De student heeft zijn opleiding een tijd geleden afgerond.
Antwoord: een tijd geleden
Waarom: Dit is vaag.

De instelling moet waarschijnlijk iets met het verzoek doen.
Antwoord: waarschijnlijk
Waarom: Dit woord is niet toetsbaar.

Sommige gegevens zijn misschien niet meer nodig.
Antwoord: sommige, misschien
Waarom: Deze woorden zijn te onduidelijk.

De instelling vindt het redelijk om gegevens te bewaren.
Antwoord: redelijk
Waarom: Dit is subjectief.

Het verzoek zal later verder worden bekeken.
Antwoord: later
Waarom: Dit woord geeft geen duidelijke termijn.

Antwoorden oefening 2

Voorbeeldantwoorden:

De student heeft zijn opleiding een tijd geleden afgerond.
Antwoord: De student heeft zijn opleiding twee jaar geleden afgerond.

De instelling moet waarschijnlijk iets met het verzoek doen.
Antwoord: De instelling moet het verzoek beoordelen.

Sommige gegevens zijn misschien niet meer nodig.
Antwoord: Een deel van de gegevens is niet meer nodig.
Of: Niet alle gegevens zijn nog noodzakelijk.

De instelling vindt het redelijk om gegevens te bewaren.
Antwoord: De instelling bewaart gegevens op grond van een wettelijke verplichting.

Waar let de docent op bij oefening 2

De cursist moet de zin preciezer maken zonder de inhoud te veranderen. Laat cursisten geen nieuwe feiten bedenken als die niet in de zin staan.

Antwoorden oefening 3

Het lijkt logisch dat de instelling gegevens bewaart.
Antwoord: subjectief
Waarom: Dit is een mening of indruk.

De instelling bewaart gegevens op grond van een wettelijke verplichting.
Antwoord: objectief
Waarom: De grondslag is duidelijk en controleerbaar.

De student vindt dat zijn gegevens niet meer nodig zijn.
Antwoord: subjectief
Waarom: Dit is het standpunt van de student.

De student staat niet meer ingeschreven bij de instelling.
Antwoord: objectief
Waarom: Dit is feitelijke informatie.

Antwoorden oefening 4

Voorbeeldantwoorden:

De instelling zal kijken wat mogelijk is en later reageren.
Antwoord: De instelling beoordeelt het verzoek en reageert daarna schriftelijk.

De instelling zal het verzoek verder beoordelen en zo snel mogelijk contact opnemen.
Antwoord: De instelling beoordeelt het verzoek en neemt binnen een vastgestelde termijn contact op.

Er wordt gekeken welke gegevens eventueel verwijderd kunnen worden.
Antwoord: De instelling beoordeelt welke gegevens kunnen worden verwijderd.

De student krijgt later bericht over wat er met zijn gegevens gebeurt.
Antwoord: De student ontvangt na beoordeling bericht over de uitkomst van het verzoek.

Waar let de docent op bij oefening 4


Een goede conclusie zegt wat er gebeurt, door wie dat gebeurt en wat de volgende stap is.

Oefening 5: modeltekst verbeteren

Bij deze oefening kijkt de docent vooral of de cursist:

  1. vaagtaal schrapt

  2. subjectieve woorden vervangt

  3. de tekst zakelijker maakt

  4. geen nieuwe inhoud toevoegt

  5. de conclusie concreter maakt

Begeleiding bij de schrijfopdracht

Bij de geleide schrijfopdracht helpt de docent de cursist om onder elk kopje precies en neutraal te formuleren. De aandacht ligt minder op diep juridisch redeneren en meer op taalgebruik.

De docent stuurt vooral op:

  1. geen vaagtaal

  2. geen emotionele woorden

  3. een duidelijke en zakelijke toon

  4. een concrete conclusie

Minimum voor een voldoende tekst

De tekst is voldoende als:

  1. de formulering duidelijk en zakelijk is

  2. vaagtaal is vervangen

  3. de toon neutraal blijft

  4. de conclusie uitvoerbaar is

  5. de inhoud niet verandert door het herschrijven

Begeleiding bij het zelfstandig schrijfproduct

In deze opdracht laat de cursist zien of hij of zij onduidelijke of informele taal kan verbeteren in een eigen tekst. De docent let hier vooral op precisie en toon.

De kernvraag is: kan de cursist dezelfde boodschap zakelijker en duidelijker formuleren?

Schrijfupgrade

De schrijfupgrade helpt cursisten om preciezer te schrijven. Vooral deze woorden en patronen zijn belangrijk:

  1. concreet

  2. afgebakend

  3. toetsbaar

  4. in het bijzonder

  5. uitsluitend voor zover

Ook deze zinnen zijn bruikbaar:
De formulering is onvoldoende afgebakend, omdat ...
Toetsbaar is dit pas wanneer ...
De formulering is niet toetsbaar, omdat ...

Deze patronen helpen cursisten om taal kritisch te beoordelen.

Grammatica en formulering

In deze module gaat grammatica vooral over woordkeuze en zinsniveau. Het gaat niet om losse werkwoordsvormen, maar om de vraag of een zin precies genoeg is. De docent let op:

  1. concrete woorden

  2. objectieve formulering

  3. duidelijke tijdsaanduiding

  4. heldere conclusie

Differentiatie

Voor cursisten die meer steun nodig hebben, laat de docent eerst alleen vage woorden onderstrepen. Geef daarna voorbeeldzinnen om samen te verbeteren.

Voor sterkere cursisten kan de docent sneller werken met hele alinea’s of korte juridische teksten die herschreven moeten worden.

Voor alle cursisten geldt: geef feedback eerst op precisie en toon, daarna pas op kleinere taalfouten.

Veelgemaakte fouten

Veel cursisten maken in deze module deze fouten:

  1. zij gebruiken woorden als misschien, best of later

  2. zij schrijven te subjectief

  3. zij maken conclusies te vrijblijvend

  4. zij voegen bij het herschrijven nieuwe inhoud toe

  5. zij denken dat een nette zin automatisch ook een precieze zin is