1. Doel van deze handleiding
Deze handleiding helpt de docent bij het geven van de lessen uit dit boek. De handleiding geeft extra uitleg, korte achtergrondinformatie, antwoorden en tips voor de les.
2. Hoe werk je met dit boek?
Elk hoofdstuk heeft bijna dezelfde opbouw.
Daardoor weten docent en cursist wat zij kunnen verwachten.
De vaste opbouw is:
intro
succescriteria
theorie
modelanalyse
oefeningen
geleide schrijfopdracht
zelfstandig schrijfproduct
redactie en afronding
schrijfupgrade
Deze vaste opbouw komt in de modules steeds terug.
3. Wat is juridisch en academisch schrijven?
Juridisch schrijven is schrijven met een duidelijk doel.
De tekst moet precies, logisch en zakelijk zijn.
Academisch schrijven betekent dat je stap voor stap werkt. Je denkt eerst na, kiest daarna de juiste informatie en schrijft dan pas de tekst.
In dit boek leren cursisten dat een goede juridische tekst niet alleen inhoudelijk juist moet zijn, maar ook duidelijk en controleerbaar.
4. De vaste basis van een juridische tekst
In veel hoofdstukken komt dezelfde basis terug:
feiten
norm
toepassing
conclusie
De docent let er steeds op of de cursist deze onderdelen goed gebruikt. Deze lijn is een kernonderdeel van het boek.
5. Algemene lesaanpak
De docent werkt in vaste stappen:
eerst herkennen
dan begrijpen
dan oefenen
dan zelf schrijven
dan verbeteren
Zo bouwen cursisten rustig op van eenvoudig naar moeilijker.
6. Waar let de docent altijd op?
De docent let in elk hoofdstuk op:
duidelijke opbouw
zakelijke toon
precieze woorden
logische redenering
duidelijke conclusie
concrete vervolgstap
Deze punten sluiten aan bij de succescriteria die in de modules terugkomen.
7. Hoe beoordeel je antwoorden en schrijfwerk?
Bij antwoorden en schrijfopdrachten kijkt de docent steeds naar deze vragen:
Is het antwoord juist?
Is het antwoord duidelijk?
Past het antwoord bij de vraag?
Is de taal zakelijk genoeg?
Is de conclusie concreet?
Bij schrijfwerk kijkt de docent ook of de opbouw logisch is en of de redenering goed te volgen is.
8. Algemene docentrol
De docent legt niet alleen de theorie uit, maar helpt cursisten ook om beter te denken, beter te structureren en preciezer te schrijven.
De docent:
stelt gerichte vragen
laat verschillen zien tussen sterke en zwakke formuleringen
helpt bij het verbeteren van zinnen
stuurt op duidelijke keuzes in de tekst
9. Algemene woordenlijst
Deze woorden komen vaak terug in het boek:
Feit
Wat vaststaat en controleerbaar is.
Norm
De regel of het uitgangspunt dat geldt.
Toepassing
De uitleg van de regel in deze situatie.
Conclusie
Wat uit de redenering volgt.
Doel
Wat de tekst wil bereiken.
Doelgroep
Voor wie de tekst is geschreven.
Probleemstelling
De centrale vraag van de tekst.
Onderzoeksvraag
De vraag die in de tekst wordt onderzocht.
Argument
Een reden voor een standpunt.
Tegenargument
Een bezwaar tegen een standpunt.
Redactie
Het verbeteren en controleren van de tekst.
10. Differentiatie in de les
Niet alle cursisten werken op hetzelfde tempo. Ook het taalniveau, de schrijfervaring en de juridische voorkennis kunnen verschillen. Daarom past de docent waar nodig de ondersteuning, de uitleg en de opdracht aan.
De docent kan differentiëren op drie manieren.
1. Differentiatie in uitleg
Sommige cursisten hebben genoeg aan de korte theorie. Andere cursisten hebben extra uitleg, voorbeelden of herhaling nodig. De docent kiest dus hoeveel taalsteun en hoeveel stap voor stap uitleg nodig is.
2. Differentiatie in oefening
Sterkere cursisten kunnen sneller naar zelfstandig formuleren of een moeilijkere casus. Cursisten die meer steun nodig hebben, werken eerst met herkenningsvragen, vaste formats of voorbeeldzinnen.
3. Differentiatie in begeleiding
De ene cursist heeft vooral feedback nodig op structuur. De andere cursist juist op woordkeuze, grammatica of conclusie. De docent kijkt per cursist waar de grootste leerwinst zit.
Praktische vormen van differentiatie
De docent kan bijvoorbeeld:
extra voorbeelden geven
een opdracht voordoen
werken met vaste schrijfzinnen
sterke cursisten een extra vraag geven
zwakkere cursisten eerst laten labelen: feit, norm, toepassing, conclusie
feedback geven op één focuspunt tegelijk
Waar let de docent op?
Differentiatie betekent niet dat de leerdoelen veranderen. Het doel blijft gelijk, maar de route ernaartoe mag verschillen. De docent past dus vooral aan:
de hoeveelheid steun
de moeilijkheid van de opdracht
de mate van zelfstandigheid
Belangrijk uitgangspunt
De opbouw van het boek helpt al bij differentiatie, omdat elke module werkt van theorie naar modelanalyse, oefeningen, schrijfopdracht en redactie. Daardoor kan de docent per cursist kiezen hoeveel steun nodig is in elke stap.
11. Opbouw van een les
Een les met dit boek kan eenvoudig in vaste stappen worden gegeven. Zo blijft de les rustig en duidelijk.
Een mogelijke lesopbouw is:
korte start en activering
uitleg van het doel van de les
samen kijken naar theorie of modeltekst
oefenen met korte vragen of zinnen
werken aan de schrijfopdracht
nabespreken en verbeteren
De docent hoeft niet altijd alle onderdelen in één les af te ronden. Sommige onderdelen kunnen in de volgende les terugkomen.
12. Tijdsverdeling in de les
Niet elk onderdeel vraagt evenveel tijd. De docent kiest per les waar het zwaartepunt ligt.
In het algemeen geldt:
intro en uitleg zijn kort
modelanalyse en oefeningen nemen middellang tijd in
schrijfopdrachten vragen meer tijd
nabespreking en redactie zijn kort maar belangrijk
Bij moeilijkere groepen is extra tijd nodig voor uitleg, voordoen en samen formuleren.
Tijdsverdeling les van 2 uur
Start en activering: 10 minuten
Intro en theorie: 15 minuten
Modelanalyse: 20 minuten
Oefeningen: 25 minuten
Geleide schrijfopdracht: 25 minuten
Bespreking en feedback: 10 minuten
Zelfstandig schrijfproduct of vervolgopdracht: 10 minuten
Redactie en afronding: 5 minuten
Afsluiting: 5 minuten
Deze verdeling is een basis. Bij een moeilijke groep kan meer tijd gaan naar uitleg en samen oefenen. Bij een sterke groep kan meer tijd gaan naar schrijven en feedback.
1. Start en activering
10 minuten
Korte terugblik, lesdoel noemen, voorkennis activeren.
2. Intro en theorie
15 minuten
Korte uitleg van het onderwerp en de belangrijkste begrippen.
3. Modelanalyse
20 minuten
Samen kijken naar de modeltekst of het voorbeeld. Bespreek opbouw, toon en redenering.
4. Oefeningen
25 minuten
Cursisten maken korte oefeningen. Daarna korte bespreking.
5. Geleide schrijfopdracht
25 minuten
Cursisten schrijven met steun van de docent of met een vast format.
6. Bespreking en feedback
10 minuten
Bespreek een paar voorbeelden. Geef gerichte feedback op inhoud, opbouw en taal.
7. Zelfstandig schrijfproduct of vervolgopdracht
10 minuten
Korte start of voorbereiding op het zelfstandige schrijfwerk.
8. Redactie en afronding
5 minuten
Laat cursisten hun tekst kort controleren op opbouw, toon en conclusie.
9. Afsluiting
5 minuten
Korte samenvatting en vooruitblik op de volgende les.
Tijdsverdeling les van 1,5 uur
Start en activering: 8 minuten
Intro en theorie: 12 minuten
Modelanalyse: 15 minuten
Oefeningen: 18 minuten
Geleide schrijfopdracht: 15 minuten
Bespreking en feedback: 8 minuten
Zelfstandig schrijfproduct of vervolgopdracht: 7 minuten
Redactie en afronding: 4 minuten
Afsluiting: 3 minuten
Deze verdeling is een basis. Bij een moeilijke groep kan meer tijd gaan naar uitleg en samen oefenen. Bij een sterke groep kan meer tijd gaan naar schrijven en feedback.
1. Start en activering
8 minuten
Korte terugblik, lesdoel noemen, voorkennis activeren.
2. Intro en theorie
12 minuten
Korte uitleg van het onderwerp en de belangrijkste begrippen.
3. Modelanalyse
15 minuten
Samen kijken naar de modeltekst of het voorbeeld. Bespreek opbouw, toon en redenering.
4. Oefeningen
18 minuten
Cursisten maken korte oefeningen. Daarna korte bespreking.
5. Geleide schrijfopdracht
15 minuten
Cursisten schrijven met steun van de docent of met een vast format.
6. Bespreking en feedback
8 minuten
Bespreek een paar voorbeelden. Geef gerichte feedback op inhoud, opbouw en taal.
7. Zelfstandig schrijfproduct of vervolgopdracht
7 minuten
Korte start of voorbereiding op het zelfstandige schrijfwerk.
8. Redactie en afronding
4 minuten
Laat cursisten hun tekst kort controleren op opbouw, toon en conclusie.
9. Afsluiting
3 minuten
Korte samenvatting en vooruitblik op de volgende les.
Tijdsverdeling les van 1 uur
Start en activering: 5 minuten
Intro en theorie: 8 minuten
Modelanalyse: 10 minuten
Oefeningen: 12 minuten
Geleide schrijfopdracht: 10 minuten
Bespreking en feedback: 5 minuten
Zelfstandig schrijfproduct of vervolgopdracht: 5 minuten
Redactie en afronding: 3 minuten
Afsluiting: 2 minuten
Deze verdeling is een basis. Bij een moeilijke groep kan meer tijd gaan naar uitleg en samen oefenen. Bij een sterke groep kan meer tijd gaan naar schrijven en feedback.
1. Start en activering
5 minuten
Korte terugblik, lesdoel noemen, voorkennis activeren.
2. Intro en theorie
8 minuten
Korte uitleg van het onderwerp en de belangrijkste begrippen.
3. Modelanalyse
10 minuten
Samen kijken naar de modeltekst of het voorbeeld. Bespreek opbouw, toon en redenering.
4. Oefeningen
12 minuten
Cursisten maken korte oefeningen. Daarna korte bespreking.
5. Geleide schrijfopdracht
10 minuten
Cursisten schrijven met steun van de docent of met een vast format.
6. Bespreking en feedback
5 minuten
Bespreek een paar voorbeelden. Geef gerichte feedback op inhoud, opbouw en taal.
7. Zelfstandig schrijfproduct of vervolgopdracht
5 minuten
Korte start of voorbereiding op het zelfstandige schrijfwerk.
8. Redactie en afronding
3 minuten
Laat cursisten hun tekst kort controleren op opbouw, toon en conclusie.
9. Afsluiting
2 minuten
Korte samenvatting en vooruitblik op de volgende les.
13. Route door het boek
Het boek bouwt stap voor stap op. Elk blok heeft een eigen functie.
Blok 1 legt de basis.
Blok 2 helpt bij focus en richting.
Blok 3 gaat over structuur en opbouw.
Blok 4 gaat over argumentatie.
Blok 5 gaat over taal, stijl, bronnen en afronding.
Zo ziet de docent dat elk hoofdstuk deel is van een grotere leerlijn.
14. Werken met modelteksten
De modelteksten zijn meer dan leesmateriaal. Ze laten zien hoe een sterke juridische tekst is opgebouwd.
De docent gebruikt modelteksten om samen te kijken naar:
opbouw
toon
woordkeuze
juridische redenering
verschil tussen sterk en zwak formuleren
De modeltekst is dus een voorbeeld, een analysetekst en een bespreektekst tegelijk.
15. Werken met oefeningen
De oefeningen helpen cursisten om eerst kleine onderdelen te beheersen. De docent gebruikt deze oefeningen om te controleren of de basis duidelijk is voordat cursisten zelf gaan schrijven.
De docent kan oefeningen op verschillende manieren inzetten:
samen bespreken
individueel laten maken
in duo’s laten vergelijken
mondeling laten toelichten
De keuze hangt af van de groep en het doel van de les.
16. Werken met schrijfopdrachten
De schrijfopdrachten zijn bedoeld om de theorie toe te passen. Niet elke cursist kan meteen een volledige tekst zelfstandig schrijven. Daarom mag de docent een schrijfopdracht ook in stappen aanbieden.
De docent kan kiezen voor:
eerst samen een schema maken
eerst mondeling opbouwen
eerst alleen feiten en norm laten schrijven
daarna pas de hele tekst laten maken
Zo wordt schrijven minder zwaar en beter haalbaar.
17. Werken met peer review en zelfredactie
In dit boek leren cursisten niet alleen schrijven, maar ook terugkijken naar hun eigen tekst en naar teksten van anderen. Peer review en zelfredactie helpen daarbij. Deze onderdelen komen in meerdere modules terug.
De docent houdt deze fase klein en duidelijk. Geef niet te veel aandachtspunten tegelijk. Laat cursisten steeds kijken naar één of twee dingen, bijvoorbeeld opbouw en conclusie, of toon en precisie.
Peer review helpt cursisten om beter te zien wat werkt in een tekst. Zelfredactie helpt cursisten om eigen fouten sneller te herkennen.
18. Algemene feedbackregels
Feedback moet kort, duidelijk en bruikbaar zijn. Te veel feedback tegelijk werkt vaak niet.
De docent geeft feedback bij voorkeur in deze volgorde:
eerst op inhoud en opbouw
daarna op redenering
daarna op taal en formulering
tenslotte op kleine fouten
Goede feedback:
is concreet
richt zich op één of twee punten tegelijk
laat zien wat al goed gaat
geeft een duidelijk verbeteradvies
19. Veelgemaakte algemene fouten
Veel cursisten maken in meerdere hoofdstukken dezelfde fouten. Het helpt als de docent deze fouten vroeg herkent.
Veelvoorkomende fouten zijn:
te algemeen schrijven
feiten en meningen door elkaar halen
te snel naar de conclusie gaan
vage woorden gebruiken
regels noemen zonder toepassing
een onduidelijke of te brede tekst schrijven
geen concrete vervolgstap geven
Deze fouten komen vaak terug, ook als het onderwerp van het hoofdstuk verandert.
20. Minimale schrijfafspraken voor alle hoofdstukken
In elk hoofdstuk gelden dezelfde basisafspraken. De docent kan deze afspraken steeds herhalen.
De cursist let in elke tekst op:
duidelijke zinnen
zakelijke toon
concrete woorden
logische volgorde
geen onnodige herhaling
duidelijke conclusie
passende vervolgstap
Deze basis helpt om rust en eenheid in het schrijfwerk te houden.
21. Algemene beoordelingsvolgorde
Bij het nakijken is het handig om steeds in dezelfde volgorde te kijken. Dat maakt beoordelen duidelijker en eerlijker.
De docent beoordeelt in deze volgorde:
is de inhoud relevant?
is de opbouw logisch?
is de redenering duidelijk?
is de formulering precies?
is de conclusie bruikbaar?
Zo voorkom je dat kleine taalfouten te veel aandacht krijgen terwijl de kern van de tekst nog niet klopt.
22. Wat vraagt dit boek van de docent?
Dit boek vraagt een actieve docentrol. De docent begeleidt niet alleen de taal, maar ook het denken en het structureren.
De docent:
leest precies
stelt gerichte vragen
helpt keuzes maken
laat verschillen zien tussen sterke en zwakke zinnen
stuurt op logische opbouw
helpt cursisten reviseren
De docent is dus begeleider, taalcoach en structuurhulp tegelijk.
23. Wat vraagt dit boek van de cursist?
Van de cursist wordt verwacht dat hij of zij actief meedoet en bereid is om teksten te verbeteren.
De cursist:
leest nauwkeurig
denkt stap voor stap
oefent met herschrijven
gebruikt feedback
bouwt teksten bewust op
controleert de tekst voor inlevering
Zo leert de cursist niet alleen schrijven, maar ook beter reviseren.
24. Signaalwoorden en vaste redactietaal
Vaste woorden helpen cursisten om logischer en duidelijker te schrijven. De docent kan deze woorden steeds laten terugkomen.
Voorbeelden zijn:
eerst
vervolgens
daarna
daarom
op grond van
hieruit volgt
beslissend is
ten slotte
Deze woorden helpen om de redenering zichtbaar te maken.
25. Algemene afsluiting
Deze handleiding is bedoeld als steun voor de docent.
Niet elk hoofdstuk vraagt precies hetzelfde, maar de basis blijft gelijk: duidelijk denken, logisch opbouwen, zakelijk schrijven en zorgvuldig verbeteren.