Module 2 - Communicatiekloof

image.png

1. Doel van deze module

In deze module leren cursisten wat de communicatiekloof is. Zij leren waarom teksten vaak niet aansluiten bij de lezer, waarom B1 vaak de beste keuze is voor brede doelgroepen en hoe zij een korte tekst kunnen herschrijven naar B1 met een duidelijke actie.

2. Waarom is deze module belangrijk?

In module 1 leerden cursisten taalniveaus herkennen. In module 2 leren zij wat er in de praktijk misgaat als een tekst te moeilijk is voor de lezer. Deze module is belangrijk, omdat cursisten hier leren dat duidelijk schrijven niet alleen gaat over mooie taal, maar over effect. Begrijpt de lezer wat hij moet doen? Weet hij wanneer iets moet? Weet hij wat er daarna gebeurt? Als dat niet duidelijk is, ontstaat de communicatiekloof.

3. Kern van deze module

De kern van deze module is dat een tekst mislukt als de schrijver te veel voorkennis heeft en de lezer te weinig. Dat verschil heet de communicatiekloof. De module leert cursisten drie dingen:

  1. herkennen waardoor de communicatiekloof ontstaat

  2. uitleggen waarom B1 vaak beter werkt voor brede doelgroepen

  3. een te moeilijke tekst herschrijven naar B1 met een duidelijke actie

De module koppelt taalniveau dus direct aan begrijpelijkheid, gedrag en publiekscommunicatie.

4. Extra uitleg voor de docent

Deze module is belangrijk voor docenten die weinig ervaring hebben met B1 onderwijs, omdat zij hier een eenvoudig denkkader krijgen. Je hoeft cursisten nog niet ingewikkelde taaltheorie te geven. Je helpt hen vooral om deze drie vragen te beantwoorden:

  1. Voor wie is deze tekst?

  2. Wat moet de lezer doen?

  3. Wat maakt deze tekst te moeilijk?

Veel cursisten denken dat de communicatiekloof vooral ontstaat door moeilijke woorden. Dat klopt maar gedeeltelijk. De kloof ontstaat ook door:

  • te veel informatie in één zin

  • onduidelijke acties

  • verborgen deadlines

  • formele en afstandelijke formuleringen

  • te veel voorkennis bij de schrijver

De docent moet deze module dus steeds terugbrengen naar lezer en gedrag:

  • begrijpt de lezer het?

  • weet de lezer wat hij moet doen?

  • kan de lezer direct handelen?

5. Juridische achtergrond

In juridische en zakelijke communicatie is de communicatiekloof extra gevaarlijk, omdat teksten vaak gaan over rechten, plichten, voorwaarden, afspraken en procedures. Als een burger of klant niet begrijpt wat er van hem wordt verwacht, kunnen fouten, klachten, vertraging en wantrouwen ontstaan. De module laat zien dat vooral in publiekscommunicatie B1 vaak beter werkt, omdat de lezer snel moet kunnen begrijpen wat belangrijk is en wat hij moet doen.

6. Wat leren cursisten in deze module concreet?

Aan het eind van deze module kunnen cursisten:

  1. uitleggen wat de communicatiekloof is

  2. benoemen waardoor die kloof ontstaat

  3. uitleggen waarom B1 vaak beter werkt voor brede doelgroepen

  4. doelgroep concreet maken met rol en situatie

  5. doel in gedrag concreet maken

  6. signalen aanwijzen dat een tekst te moeilijk is

  7. een korte tekst herschrijven naar B1 met duidelijke actie, deadline en vervolgstap

7. Waar let de docent vooral op?

De docent let in deze module vooral op:

  1. begrijpt de cursist wat de communicatiekloof is?

  2. kan de cursist moeilijke signalen in een tekst aanwijzen?

  3. maakt de cursist doelgroep en doel concreet?

  4. zet de cursist actie en deadline duidelijk in de tekst?

  5. gebruikt de cursist kortere zinnen en eenvoudigere woorden?

  6. is de herschreven tekst echt bruikbaar voor een brede doelgroep?

8. Veelgemaakte fouten in deze module

Cursisten maken vaak deze fouten:

  1. zij denken dat B1 alleen gaat over makkelijke woorden

  2. zij vergeten het doel in gedrag te benoemen

  3. zij herschrijven woorden, maar laten de zin te lang

  4. zij laten de actie nog steeds te laat in de zin staan

  5. zij vergeten deadline of vervolgstap te noemen

  6. zij schrijven nog steeds voor het systeem in plaats van voor de lezer

9. Uitleg bij de theorie

De theorie van deze module bestaat uit vier delen.

Deel 1: wat is de communicatiekloof?
De communicatiekloof is het verschil tussen wat de schrijver weet en wat de lezer weet. De schrijver gebruikt woorden en zinnen die voor hem logisch zijn, maar voor de lezer niet. De module noemt ook vier signalen van die kloof:

  1. de lezer moet de tekst twee keer lezen

  2. de lezer stelt vragen die al in de tekst staan

  3. de lezer doet niet wat er gevraagd wordt

  4. de lezer raakt onzeker of boos omdat het niet duidelijk is

Deel 2: waarom is B1 vaak de norm?
B1 werkt goed bij regels en instructies, omdat het taalniveau voor veel mensen begrijpelijk is. De module noemt hierbij vijf kenmerken:

  1. korte zinnen

  2. gewone woorden

  3. duidelijke volgorde

  4. één boodschap tegelijk

  5. directe acties met deadlines

Deel 3: wat is eenvoudig Nederlands?
Eenvoudig Nederlands is meestal taalniveau B1. De module laat zien dat eenvoudig schrijven betekent:

  • moeilijke woorden vervangen

  • jargon uitleggen of weglaten

  • korte zinnen gebruiken

  • kopjes gebruiken die passen bij vragen van de lezer

  • duidelijk opschrijven wat de lezer moet doen

Deel 4: waarom werkt B1 beter voor de lezer?
De module legt uit dat veel lezers brieven en mails scannen. Zij zoeken vooral:

  • wat moet ik doen?

  • wanneer moet ik iets doen?

  • waar kan ik vragen stellen?

Daarom werkt B1 vaak beter voor publiekscommunicatie.

10. Antwoorden bij de theorievragen

Vraag 1. Wat is de communicatiekloof en waardoor ontstaat die?
Antwoord: de communicatiekloof is het verschil tussen wat de schrijver weet en wat de lezer weet. Die ontstaat als de schrijver woorden, zinnen en informatie gebruikt die voor hem logisch zijn, maar voor de lezer niet duidelijk zijn.
Waarom goed: dit is de kernuitleg van de module.

Vraag 2. Noem twee signalen dat een tekst te moeilijk is.
Antwoord: bijvoorbeeld:

  • de lezer moet de tekst twee keer lezen

  • de lezer doet niet wat er gevraagd wordt

  • de lezer stelt vragen die al in de tekst staan

  • de lezer raakt onzeker of boos
    Waarom goed: de module noemt precies deze signalen.

Vraag 3. Waarom is B1 vaak beter dan B2 voor brede doelgroepen?
Antwoord: omdat B1 voor meer mensen begrijpelijk is en sneller laat zien wat belangrijk is en wat de lezer moet doen.
Waarom goed: dit sluit aan op de theorie over publiekscommunicatie.

Vraag 4. Wat bedoelen we met eenvoudig Nederlands?
Antwoord: eenvoudig Nederlands is taal die door veel mensen wordt begrepen. Het gebruikt gewone woorden, korte zinnen, duidelijke structuur en concrete acties.
Waarom goed: dit sluit aan op de uitleg in de module.

Vraag 5. Wat is het risico als je in een brief te ingewikkeld schrijft over regels of voorwaarden?
Antwoord: de lezer begrijpt de regels niet goed, komt niet in actie, maakt fouten of belt later voor uitleg.
Waarom goed: dit benoemt precies de gevolgen van de communicatiekloof.

11. Waarom zijn andere antwoorden fout?

Andere antwoorden zijn fout als cursisten:

  1. communicatiekloof alleen uitleggen als “moeilijke taal”

  2. B1 verwarren met kinderachtige taal

  3. zeggen dat de lezer maar beter moet lezen

  4. niet benoemen wat de lezer moet doen

  5. alleen over woorden praten en niet over actie, structuur en gedrag

Voorbeeld fout: “De communicatiekloof ontstaat alleen door jargon.”
Dat is te smal. Ook zinslengte, afstandelijke toon en onduidelijke acties spelen mee.

12. Didactische aanwijzingen voor de theorie

Werk deze theorie heel praktisch uit.

Stap 1
Lees de uitleg over de communicatiekloof samen.

Stap 2
Laat cursisten meteen een voorbeeld uit hun eigen werk noemen.

Stap 3
Laat hen daarna de theorie koppelen aan echte gevolgen:

  • extra vragen

  • geen actie

  • klachten

  • fouten

Goede docentvragen

  1. Wat begrijpt de lezer hier niet?

  2. Welke actie blijft onduidelijk?

  3. Welke voorkennis verwacht de schrijver hier?

  4. Waarom is deze tekst niet goed voor een brede doelgroep?

Ezelsbruggetje
WWDW

  1. Wie leest dit?

  2. Wat weet die lezer al?

  3. Doet de lezer wat jij wilt?

  4. Waarom wel of niet?

13. Uitleg bij oefening 1

In deze module zit de eerste echte toepassing in de korte praktijksituaties en in de vragen over de drie moeilijke voorbeeldteksten. De docent moet uitleggen dat cursisten hier drie dingen tegelijk oefenen:

  1. doelgroep herkennen

  2. doel in gedrag formuleren

  3. moeilijke signalen in de tekst aanwijzen

14. Antwoorden bij oefening 1

Situatie 1 Juridische afdeling, reactie op bezwaar
Tekstfragment:
Wij verwijzen naar uw schrijven en delen u mede dat uw bezwaar in behandeling is genomen, waarna u te zijner tijd nader bericht zult ontvangen omtrent het verdere verloop.

1. Voor wie is dit bedoeld, welke doelgroep en welke situatie?
Antwoord: voor een burger die bezwaar heeft gemaakt en wil weten wat er nu gebeurt.
Waarom goed: dat is de concrete lezer in deze situatie.

2. Wat is het doel in gedrag, wat moet de lezer na het lezen doen?
Antwoord: de lezer moet begrijpen dat zijn bezwaar is ontvangen en dat hij nu moet wachten op een volgend bericht.
Waarom goed: het doel is hier vooral begrijpen en afwachten.

3. Welke woorden maken deze tekst moeilijk?
Mogelijke antwoorden:

  • verwijzen naar uw schrijven

  • delen u mede

  • in behandeling is genomen

  • te zijner tijd

  • nader bericht

  • omtrent het verdere verloop
    Waarom goed: dit zijn formele en afstandelijke formuleringen.

4. Wat mist de lezer om te weten wat er gebeurt?
Antwoord: wanneer hij bericht krijgt, wat de volgende stap is en of hij nu nog iets moet doen.
Waarom goed: die informatie ontbreekt of blijft te vaag.

5. Herschrijf dit naar B1 in drie korte zinnen.
Voorbeeldantwoord:
Wij hebben uw bezwaar ontvangen.
Wij bekijken uw bezwaar nu.
U krijgt later bericht van ons over de volgende stap.

Situatie 2 Zakelijke afdeling, aanleveren van documenten
Tekstfragment:
Ter verificatie van uw gegevens verzoeken wij u de vereiste stukken te doen toekomen, bij gebreke waarvan wij de procedure niet kunnen continueren.

1. Voor wie is dit bedoeld, welke klant of medewerker?
Antwoord: voor een klant of burger die documenten moet aanleveren zodat de procedure verder kan.
Waarom goed: dat maakt de doelgroep concreet.

2. Wat is het doel in gedrag?
Antwoord: de lezer moet de juiste documenten opsturen.
Waarom goed: het doel is een concrete handeling.

3. Welke delen zijn vaag, wat zijn de vereiste stukken?
Antwoord: vereiste stukken is vaag. Ook de procedure niet kunnen continueren is te abstract.
Waarom goed: de lezer weet niet welke documenten nodig zijn en wat er misgaat als hij die niet stuurt.

4. Welke concrete actie en deadline moeten erin?
Antwoord: noem precies welke drie documenten nodig zijn en vóór welke datum de lezer die moet sturen.
Waarom goed: zonder die informatie is de tekst niet bruikbaar.

5. Herschrijf dit naar B1 met een lijst van drie documenten.
Voorbeeldantwoord:
Stuur ons deze drie documenten:

  1. een kopie van uw identiteitsbewijs

  2. een bewijs van adres

  3. het ingevulde formulier
    Stuur deze documenten vóór 15 mei. Zonder deze documenten kunnen wij uw aanvraag niet verder behandelen.

Situatie 3 Finance, betalingsherinnering
Tekstfragment:
Inzake uw openstaande post wijzen wij u erop dat betaling niet is ontvangen en dat bij uitblijven van voldoening verdere stappen niet zijn uitgesloten.

1. Voor wie is dit bedoeld, welke debiteur of klanttype?
Antwoord: voor een klant of debiteur met een openstaande betaling.
Waarom goed: de tekst gaat duidelijk over een rekening die nog niet is betaald.

2. Wat is het doel in gedrag?
Antwoord: de lezer moet betalen.
Waarom goed: dat is de centrale actie.

3. Welke woorden zijn formeel of vaag?
Mogelijke antwoorden:

  • inzake

  • openstaande post

  • betaling niet is ontvangen

  • uitblijven van voldoening

  • verdere stappen niet zijn uitgesloten
    Waarom goed: deze woorden zijn formeel, vaag of afstandelijk.

4. Welke informatie mist, bedrag, datum, betaalwijze?
Antwoord: het bedrag, de uiterste betaaldatum en hoe de lezer kan betalen.
Waarom goed: zonder deze informatie kan de lezer niet direct handelen.

5. Herschrijf dit naar B1 met een duidelijke betaalactie.
Voorbeeldantwoord:
U heeft uw rekening nog niet betaald.
Betaal € 125 vóór 20 mei.
Maak het bedrag over naar rekening NL00BANK0123456789.
Heeft u al betaald? Dan hoeft u niets te doen.

15. Waarom zijn andere antwoorden fout bij oefening 1?

Andere antwoorden zijn fout als cursisten:

  1. de doelgroep te vaag houden, bijvoorbeeld “iemand”

  2. het doel in gedrag formuleren als onderwerp in plaats van actie

  3. alleen moeilijke woorden noemen en niet kijken naar ontbrekende informatie

  4. een B1 versie schrijven zonder duidelijke actie

  5. de lezer laten wachten zonder te zeggen wat er gebeurt

Voorbeeld fout: “De lezer moet begrijpen wat er staat.”
Dat is te vaag. Het doel in gedrag moet concreter zijn, zoals: wachten, documenten sturen of betalen.

16. Didactische aanwijzingen voor oefening 1

Laat cursisten bij elke situatie werken met hetzelfde schema:

Doelgroep
Ik schrijf voor ...

Doel in gedrag
De lezer wordt na het lezen ...

Moeilijke signalen
Deze tekst is moeilijk door ...

Nieuwe B1 versie
Korte zinnen, gewone woorden, actie vroeg

Dat vaste schema geeft rust, vooral bij minder ervaren cursisten.

Ezelsbruggetje
LDMA

  1. Lezer

  2. Doel

  3. Moeilijkheid

  4. Actie

17. Uitleg bij oefening 2

Oefening 2 zit in de structuurkaart en in de schrijfopdracht. Hier moeten cursisten doel, doelgroep en oude zin koppelen aan een nieuwe versie. De docent moet uitleggen dat een herschrijving pas goed is als de tekst niet alleen simpeler is, maar ook bruikbaarder.

18. Antwoorden bij oefening 2

Bij de structuurkaart hoort steeds:

1. Doelgroep
Ik schrijf voor: een concrete lezer in een concrete situatie.

2. Doel in gedrag
De lezer wordt na het lezen: een handelende lezer, bijvoorbeeld:

  • wachten op bericht

  • drie documenten sturen

  • een openstaande rekening betalen

3. Oude zin
De moeilijke zin uit de brontekst.

4. Nieuwe versie
Een B1 versie in twee tot vier zinnen. Elke zin heeft één hoofdgedachte.

5. Controle
De zinnen zijn kort, bij voorkeur 8 tot 12 woorden.

Voorbeeld uit situatie 1:

Doelgroep
Ik schrijf voor een burger die bezwaar heeft gemaakt.

Doel in gedrag
De lezer begrijpt dat zijn bezwaar is ontvangen en wacht op het volgende bericht.

Oude zin
Wij verwijzen naar uw schrijven en delen u mede dat uw bezwaar in behandeling is genomen, waarna u te zijner tijd nader bericht zult ontvangen omtrent het verdere verloop.

Nieuwe versie
Wij hebben uw bezwaar ontvangen.
Wij bekijken uw bezwaar nu.
U krijgt later bericht over de volgende stap.

19. Waarom zijn andere antwoorden fout bij oefening 2?

Andere antwoorden zijn fout als cursisten:

  1. de doelgroep niet concreet benoemen

  2. het doel vaag houden

  3. de nieuwe tekst nog te vol maken

  4. nog steeds formele woorden laten staan

  5. geen duidelijke actie of volgende stap benoemen

20. Didactische aanwijzingen voor oefening 2

Laat cursisten hun eigen herschreven tekst testen met drie simpele vragen:

  1. Begrijp ik de eerste zin meteen?

  2. Staat de actie duidelijk in beeld?

  3. Weet de lezer wat hij nu moet doen?

Docenttip
Laat cursisten hun tekst hardop voorlezen. Als zij halverwege adem moeten halen of zichzelf verbeteren, is de kans groot dat de zin nog te lang is.

21. Uitleg bij de schrijfopdracht

De schrijfopdracht in deze module is duidelijk afgebakend. De cursist werkt bij een juridische afdeling en moet een burger mailen die vraagt wat hij moet doen voor een vergunning. Dit is een typische publiekscommunicatie opdracht. De docent moet sterk sturen op:

  1. doelgroep concreet maken

  2. doel in gedrag concreet maken

  3. titel geven

  4. maximaal 110 woorden

  5. drie kopjes als lezersvragen

  6. actie en vervolgstap duidelijk maken

22. Antwoordmodel of voorbeelduitwerking bij de schrijfopdracht

Stap 1 Doelgroep
Ik schrijf voor een burger die wil weten hoe hij een vergunning aanvraagt.

Stap 2 Doel in gedrag
De lezer wordt na het lezen iemand die weet wat hij nu moet doen om een vergunning aan te vragen.

Stap 3 Titel
Vergunning aanvragen

Stap 4 B1 mail in maximaal 110 woorden

Waar gaat uw vraag over?
U wilt weten hoe u een vergunning aanvraagt.

Wat moet u nu doen?
Vul het aanvraagformulier in. Stuur ook de gevraagde documenten mee.

Wat gebeurt er daarna?
Wij bekijken uw aanvraag. Daarna laten wij u weten of u toestemming krijgt.

Waarom goed:

  1. gewone woorden

  2. korte zinnen

  3. duidelijke actie

  4. drie lezersvragen als kopjes

  5. logische volgorde

23. Didactische aanwijzingen voor de schrijfopdracht

Laat cursisten eerst niet schrijven, maar invullen:

  1. voor wie schrijf ik?

  2. wat moet die lezer na het lezen doen?

  3. wat is de belangrijkste actie?

  4. wat gebeurt er daarna?

Pas daarna laten zij de mail schrijven.

Docenttip voor weinig ervaren docenten
Werk met dit vaste bordmodel:

Doelgroep
Doel in gedrag
Actie
Volgende stap

Zo houd je de opdracht klein en overzichtelijk.

24. Schrijfupgrade

In deze module is de schrijfupgrade vooral praktisch. Laat cursisten vaste B1 principes toepassen:

  1. zet de actie vroeg in de zin

  2. maak zinnen kort

  3. gebruik gewone woorden

  4. noem datum of deadline apart

  5. gebruik kopjes als lezersvragen

  6. schrijf wat de lezer moet doen, niet wat het systeem doet

Vaste vervangingen:

  • naar aanleiding vanna

  • delen wij u medewij laten u weten

  • ter verkrijging van toestemmingvoor toestemming

  • nader berichtbericht

  • bij gebreke waarvanzonder deze documenten

  • verdere stappen niet uitgeslotendan nemen wij extra stappen

25. Grammatica en formulering in deze module

In deze module moet de docent vooral uitleg geven over:

  1. korte zinnen

  2. actieve zinnen

  3. gewone woorden

  4. concrete formulering

  5. direct taalgebruik

Sterke B1 structuren
Gebruik liever:

  1. onderwerp vooraan

  2. werkwoord vroeg in de zin

  3. één boodschap per zin

  4. één actie tegelijk

  5. duidelijke tijd en volgorde

Voorbeeld:
Betaal het bedrag vóór 20 mei.
Dat is sterker dan:
Bij uitblijven van voldoening verzoeken wij u over te gaan tot betaling.

Grammaticale tips voor docenten

  1. Laat cursisten lange zinnen knippen in twee of drie korte zinnen.

  2. Laat cursisten abstracte woorden vervangen door werkwoorden.

  3. Laat cursisten passieve zinnen omzetten naar actieve zinnen als dat kan.

  4. Laat cursisten zoeken naar woorden die mensen in gewone gesprekken gebruiken.

  5. Laat cursisten controleren of de zin begint met wat de lezer moet doen.

Handige ezelsbruggetjes
KGOA

  1. Korte zinnen

  2. Gewone woorden

  3. One boodschap per zin

  4. Actie vroeg

Voor de docent
Lezer eerst

  1. Begrijpt de lezer dit meteen?

  2. Weet de lezer wat hij moet doen?

  3. Weet de lezer wanneer hij iets moet doen?

26. Differentiatie in deze module

Voor cursisten die meer steun nodig hebben:

  1. laat eerst alleen moeilijke woorden vervangen

  2. werk met vaste zinsstarters zoals:

    • U moet nu ...

    • Stuur dit vóór ...

    • Daarna ...

  3. laat hen één zin tegelijk herschrijven

  4. geef voorbeeldversies op B1 niveau

  5. gebruik korte praktijksituaties

Voor sterkere cursisten:

  1. laat hen meerdere B1 versies vergelijken

  2. laat hen doel en doelgroep preciezer formuleren

  3. laat hen actief kiezen welke informatie bovenaan moet staan

  4. laat hen uitleggen waarom een zin nog geen B1 is

Voor alle cursisten geldt:

  1. eerst feedback op begrijpelijkheid

  2. daarna op actie en gedrag

  3. daarna op woorden en zinsbouw

27. Afsluiting van de module

Aan het eind van deze module moet de cursist begrijpen dat duidelijke communicatie niet begint bij “mooie taal”, maar bij de lezer. De cursist moet kunnen laten zien dat hij of zij:

  1. de communicatiekloof herkent

  2. doelgroep en doel concreet maakt

  3. moeilijke signalen in een tekst aanwijst

  4. een korte tekst herschrijft naar B1 met een duidelijke actie

De echte opbrengst van deze module is dus dat cursisten niet alleen taal vereenvoudigen, maar communicatie bruikbaar maken.

28. Korte samenvatting

Module 2 van Duidelijk Juridisch Schrijven leert cursisten wat de communicatiekloof is en waarom B1 vaak beter werkt voor brede doelgroepen. De docent let vooral op doelgroep, doel in gedrag, moeilijke signalen in teksten en een B1 versie waarin de lezer direct weet wat hij moet doen.