
1. Doel van deze module
In deze module leren cursisten taalniveaus herkennen in teksten. Zij leren uitleggen waarom sommige teksten niet worden begrepen en welk taalniveau past bij een brede doelgroep. De module is dus vooral een kijk en analyse module.
2. Waarom is deze module belangrijk?
Cursisten kunnen pas teksten vereenvoudigen als zij eerst zien wat een tekst moeilijk maakt. Zonder die herkenning blijft herschrijven gokken. Deze module legt daarom de basis voor de rest van het boek: eerst herkennen, dan pas verbeteren. De module laat ook zien dat niet alleen mensen een taalniveau hebben, maar teksten ook. Daardoor ontstaat vaak een communicatiekloof tussen schrijver en lezer.
3. Kern van deze module
De kern van deze module is dat een tekst moeilijker wordt door een aantal vaste kenmerken:
lange zinnen
veel informatie in één alinea
jargon en moeilijke woorden
abstracte formuleringen
veel voorkennis
onduidelijke structuur
Daarnaast leren cursisten dat het taalniveau van de tekst moet passen bij de doelgroep. Voor een brede doelgroep is B1 vaak een passend niveau.
4. Extra uitleg voor de docent
Deze module is vooral bedoeld om cursisten te leren kijken. Niet alles hoeft meteen herschreven te worden. De docent helpt cursisten eerst om moeilijkheid te zien en te benoemen.
Veel cursisten denken in het begin:
moeilijke woorden maken een tekst professioneler
lange zinnen maken een tekst slimmer
formeel taalgebruik is automatisch goed
de lezer moet zich maar aanpassen aan de tekst
De docent moet hier juist laten zien:
moeilijke taal is niet automatisch goede taal
een tekst kan grammaticaal correct zijn en toch onbegrijpelijk
duidelijke taal is niet kinderachtig
de schrijver is verantwoordelijk voor begrijpelijkheid
Goede docentvragen zijn:
Wat maakt deze tekst moeilijk?
Voor wie is deze tekst te moeilijk?
Welke woorden of zinnen vragen veel voorkennis?
Wat zou een brede doelgroep niet meteen begrijpen?
5. Juridische achtergrond
Deze module staat in het boek Duidelijk Juridisch Schrijven en is belangrijk voor publiekscommunicatie. Juist in juridische, financiële en overheidscontexten worden teksten vaak te moeilijk geschreven. De module laat zien dat veel publiekscommunicatie op C1 of zelfs C2 zit, terwijl een brede doelgroep vaak beter B1 begrijpt. Dat is vooral problematisch bij teksten over regels, rechten, plichten, afspraken en procedures.
6. Wat leren cursisten in deze module concreet?
Aan het eind van deze module kunnen cursisten:
de ERK niveaus A1 tot en met C2 benoemen
uitleggen dat teksten en mensen allebei een taalniveau hebben
kenmerken noemen die teksten moeilijker maken
herkennen of een tekst eenvoudig, gemiddeld of complex is
uitleggen waarom C1 vaak te hoog is voor een brede doelgroep
uitleggen waarom B1 vaak passend is voor publiekscommunicatie
een tekst uit de praktijk globaal naar B1 herschrijven
7. Waar let de docent vooral op?
De docent let in deze module vooral op:
herkent de cursist signalen van moeilijke taal?
kan de cursist een tekstniveau onderbouwen met kenmerken?
maakt de cursist onderscheid tussen tekstniveau en leesvaardigheid?
begrijpt de cursist waarom doelgroep en taalniveau samenhangen?
kiest de cursist niet zomaar een niveau op gevoel?
8. Veelgemaakte fouten in deze module
Cursisten maken vaak deze fouten:
zij kiezen een taalniveau zonder onderbouwing
zij kijken alleen naar moeilijke woorden en niet naar structuur
zij verwarren B1 met kinderachtige taal
zij denken dat formele taal beter is
zij vergeten dat de doelgroep bepaalt hoe moeilijk een tekst mag zijn
zij zien niet dat voorkennis een tekst ook moeilijk maakt
9. Uitleg bij de theorie
De theorie van deze module heeft vier delen.
Eerst leren cursisten welke kenmerken een tekst moeilijker maken. De module noemt zes duidelijke kenmerken: lange zinnen, veel informatie in één alinea, jargon, abstracte formuleringen, veel voorkennis en een onduidelijke structuur.
Daarna leren cursisten wat taalniveaus zijn. De module werkt met het ERK: A1, A2, B1, B2, C1 en C2. Ook worden de F niveaus kort genoemd als extra referentie.
Vervolgens leren cursisten hoe teksten op die niveaus klinken. De module geeft per niveau kenmerken en voorbeeldzinnen. Vooral het verschil tussen B1, B2 en C1 is voor deze cursus belangrijk.
Tot slot leren cursisten wat dit betekent voor de praktijk. De conclusie van de module is dat B1 voor een brede doelgroep vaak een passend niveau is.
10. Antwoorden bij de theorievragen
1. Waarom worden veel teksten niet begrepen?
Antwoord: omdat teksten vaak te lange zinnen hebben, moeilijke woorden gebruiken, veel voorkennis vragen, abstract zijn of een onduidelijke structuur hebben.
Waarom goed: dit sluit direct aan op de theorie.
2. Wat is het verschil tussen een tekst die moeilijk is en een tekst die onbegrijpelijk is?
Antwoord: een moeilijke tekst kost moeite, maar kan nog begrepen worden. Een onbegrijpelijke tekst gaat verder: de lezer weet dan niet meer goed wat de tekst bedoelt of wat hij moet doen.
Waarom goed: dit onderscheid helpt cursisten om preciezer over begrijpelijkheid te praten.
3. Welke zes taalniveaus horen bij het ERK?
Antwoord: A1, A2, B1, B2, C1 en C2.
Waarom goed: dit is de vaste ERK indeling.
4. Waarom is taalniveau C1 vaak een probleem voor een brede doelgroep?
Antwoord: omdat C1 vaak lange zinnen, abstracte woorden, formele toon en veel voorkennis bevat. Daardoor begrijpen veel lezers de tekst minder goed.
Waarom goed: dit gebruikt de kenmerken van C1 uit de theorie.
5. Waarom is B1 vaak een verstandige keuze voor publiekscommunicatie?
Antwoord: omdat B1 voor veel mensen goed begrijpelijk is. De tekst is duidelijk, logisch en laat snel zien wat de lezer moet doen.
Waarom goed: dit sluit aan op de theorie en de conclusie van de module.
11. Waarom zijn andere antwoorden fout?
Andere antwoorden zijn fout als cursisten:
taalniveau kiezen zonder kenmerken te noemen
zeggen dat moeilijke taal automatisch professioneler is
alleen naar losse woorden kijken en niet naar zinnen en structuur
denken dat de lezer zich maar moet aanpassen
tekstniveau verwarren met intelligentie of opleidingsniveau
Voorbeeld fout: “C1 is beter, want dat klinkt slimmer.”
Dat is fout, omdat deze module juist leert dat het taalniveau moet passen bij doelgroep en doel.
12. Didactische aanwijzingen voor de theorie
Werk de theorie in kleine stappen uit.
Stap 1
Vergelijk een moeilijke en een makkelijke voorbeeldzin uit de theorie.
Stap 2
Laat cursisten aanwijzen wat de moeilijke zin lastig maakt.
Stap 3
Laat hen pas daarna een taalniveau noemen.
Goede docentvragen:
Welke woorden maken deze tekst moeilijk?
Is de zin lang of kort?
Moet de lezer al veel weten?
Is de structuur duidelijk?
Wat zou een brede doelgroep missen?
Ezelsbruggetje:
LJAVOS
Lange zinnen
Jargon
Abstracte formuleringen
Voorkennis
Onduidelijke structuur
Stapels informatie
Als een tekst veel van deze kenmerken heeft, zit hij vaak te hoog.
13. Uitleg bij oefening 1
In opdracht 1 bepalen cursisten het taalniveau van drie teksten. De docent moet uitleggen dat taalniveau niet gekozen wordt op gevoel, maar op kenmerken. Laat cursisten dus kijken naar:
woordkeuze
zinslengte
voorkennis
structuur
abstractieniveau
14. Antwoorden bij oefening 1
Tekst 1 Fiscale uitleg bij de aangifte IB
Antwoord: B2, met trekjes naar C1.
Waarom: er staat vaktaal in zoals fiscaal partnerschap, aftrekposten en heffingskortingen. Ook vraagt de tekst veel voorkennis.
Tekst 2 Kennismakingsbericht
Antwoord: A1.
Waarom: de zinnen zijn heel kort, de woorden zijn alledaags en de inhoud is concreet en eenvoudig.
Tekst 3 Literair fragment
Antwoord: C2.
Waarom: de tekst is literair, beeldend en moeilijk te volgen zonder veel taalgevoel en interpretatie.
15. Waarom zijn andere antwoorden fout bij oefening 1?
Andere antwoorden zijn fout als cursisten:
alleen naar zinslengte kijken
de rol van voorkennis negeren
een literaire tekst behandelen als gewone publiekscommunicatie
A1 en A2 of B2 en C1 zonder argument door elkaar halen
Voorbeeld: tekst 2 als A2 scoren is te hoog. De tekst is nog eenvoudiger dan de voorbeelden van A2.
Voorbeeld: tekst 1 als B1 scoren is te laag, omdat de vaktaal en context meer voorkennis vragen.
16. Didactische aanwijzingen voor oefening 1
Laat cursisten eerst een klein schema invullen:
Tekst
Moeilijke woorden
Zinslengte
Voorkennis
Niveau
Pas daarna kiezen zij het taalniveau.
Ezelsbruggetje:
WZVS
Woorden
Zinnen
Voorkennis
Structuur
17. Uitleg bij oefening 2
In opdracht 2 oefenen cursisten met publiekscommunicatie. Hier leren zij het verschil zien tussen eenvoudige, duidelijke communicatie en formele, afstandelijke communicatie.
18. Antwoorden bij oefening 2
Tekst A
Antwoord: A2
Waarom: korte zinnen, duidelijke actie, weinig moeilijke woorden, herkenbare situatie.
Tekst B
Antwoord: B1
Waarom: duidelijk, praktisch, logisch opgebouwd en direct gericht op wat de lezer moet doen.
Tekst C
Antwoord: C1
Waarom: lange zin, formele woorden, afstandelijke formulering en weinig directe actie.
Vraag 4. Welke twee woorden in tekst C maken de tekst moeilijker?
Mogelijke antwoorden: delen wij u mede, daartoe gestelde termijn, nader bericht, omtrent, verdere verloop.
Waarom goed: dit zijn formele en moeilijke uitdrukkingen.
Vraag 5. Welke tekst is het meest geschikt voor een brede doelgroep en waarom?
Antwoord: tekst B.
Waarom: de tekst is duidelijk, kort en bruikbaar voor veel lezers.
19. Waarom zijn andere antwoorden fout bij oefening 2?
Andere antwoorden zijn fout als cursisten:
tekst C te laag inschatten omdat de inhoud op zich niet ingewikkeld is
tekst A te hoog inschatten terwijl die heel eenvoudig is
denken dat beleefde of formele taal automatisch beter is voor het publiek
20. Didactische aanwijzingen voor oefening 2
Laat cursisten per tekst drie vragen beantwoorden:
Begrijpt de lezer direct wat er staat?
Weet de lezer wat hij moet doen?
Staan er woorden in die je in gewone taal niet snel gebruikt?
21. Uitleg bij de schrijfopdracht
In de vrije taak uit eigen praktijk kiezen cursisten een korte zakelijke tekst van 80 tot 150 woorden en herschrijven die naar B1. De docent moet hier sterk sturen op:
doelgroep
doel in gedrag
taalniveau
korte zinnen
gewone woorden
actie vroeg in de zin
maximaal vier kopjes of lezersvragen
22. Antwoordmodel of voorbeelduitwerking bij de schrijfopdracht
Voorbeeld originele tekst
Naar aanleiding van uw verzoek delen wij u mede dat uw aanvraag in behandeling is genomen en dat u binnen de daartoe gestelde termijn nader bericht zult ontvangen omtrent het verdere verloop.
Stap 1 Doelgroep
Ik schrijf voor inwoners die een aanvraag hebben gedaan en willen weten wat er nu gebeurt.
Stap 2 Doel in gedrag
De lezer begrijpt wat de status van de aanvraag is en wacht op het volgende bericht.
Stap 3 Taalniveau schatten
De tekst is C1.
Waarom: lange zin, formele woorden, afstandelijke formulering.
Stap 4 Herschrijf naar B1
Wij hebben uw aanvraag ontvangen.
Wij bekijken uw aanvraag nu.
U krijgt binnen de afgesproken termijn bericht van ons.
In dat bericht staat hoe het verder gaat.
Waarom beter?
kortere zinnen
gewone woorden
duidelijke volgorde
directe boodschap
beter passend bij een brede doelgroep
23. Didactische aanwijzingen voor de schrijfopdracht
Laat cursisten hun originele tekst eerst analyseren vóór zij herschrijven.
Vaste stappen:
Onderstreep moeilijke woorden.
Zet strepen tussen lange zinnen.
Schrijf op wat de lezer moet doen of begrijpen.
Kies het vermoedelijke taalniveau.
Herschrijf pas daarna.
Docenttip voor weinig ervaren docenten:
laat cursisten hun B1 versie testen met de vraag:
Kan iemand buiten mijn werk dit direct begrijpen?
24. Schrijfupgrade
De schrijfupgrade van deze module bestaat uit vaste vereenvoudigingsregels.
Gebruik deze regels:
één boodschap per zin
zet de actie vroeg in de zin
gebruik gewone woorden
vermijd vaktaal als dat kan
gebruik concrete tijd en actie
schrijf voor de lezer, niet voor het systeem
Handige vervangingen:
naar aanleiding van → na of weglaten
delen wij u mede → wij laten u weten
in behandeling genomen → wij bekijken uw aanvraag
nader bericht → bericht
omtrent → over
verdere verloop → hoe het verder gaat
25. Grammatica en formulering in deze module
In deze module moet de docent vooral uitleg geven over:
zinslengte
woordkeuze
concrete formulering
actieve zinnen
logische volgorde
Sterke structuren voor B1
Gebruik liever:
korte hoofdzin
onderwerp vooraan
werkwoord vroeg in de zin
één actie per zin
één stap tegelijk
Voorbeeld
Je krijgt binnen vijf werkdagen een reactie per mail.
Vermijd waar mogelijk:
meerdere bijzinnen in één zin
abstracte woorden zonder uitleg
passieve en afstandelijke formuleringen
formele vaste uitdrukkingen
te veel informatie in één zin
Goede grammaticale tips voor docenten
Laat cursisten zinnen knippen als zij langer worden dan één duidelijke boodschap.
Laat cursisten telkens vragen: wie doet wat?
Laat cursisten moeilijke naamwoorden omzetten naar gewone werkwoorden.
Laat cursisten kijken of de lezer meteen weet wat hij moet doen.
Laat cursisten voorkennis markeren.
Handige ezelsbruggetjes voor cursisten
KGOA
Korte zinnen
Gewone woorden
One boodschap per zin
Actie vroeg
Voor de docent:
Lezer eerst
Begrijpt de lezer dit meteen?
Weet de lezer wat belangrijk is?
Weet de lezer wat hij moet doen?
26. Differentiatie in deze module
Voor cursisten die meer steun nodig hebben:
laat eerst alleen moeilijke woorden markeren
werk met korte voorbeeldteksten
laat hen kiezen tussen twee taalniveaus in plaats van zes
laat hen één zin tegelijk herschrijven
gebruik vaste vragen zoals: wat is moeilijk, wat kan korter, welk woord kan simpeler?
Voor sterkere cursisten:
laat hen argumenteren waarom een tekst op B2 of C1 zit
laat hen een C1 tekst omzetten naar B1 met behoud van inhoud
laat hen doelgroep en doel in gedrag expliciet formuleren
laat hen meerdere herschrijfopties vergelijken
Voor alle cursisten geldt:
eerst feedback op begrijpelijkheid
daarna op taalniveau
daarna op woordkeuze en zinsbouw
27. Afsluiting van de module
Aan het eind van deze module moet de cursist begrijpen dat taalniveau geen vaag gevoel is, maar iets wat je kunt herkennen aan woorden, zinnen, structuur en voorkennis. De cursist moet kunnen laten zien dat hij of zij:
taalniveaus herkent
moeilijkheid kan uitleggen
tekstniveau en leesniveau kan onderscheiden
voor een brede doelgroep bewust richting B1 kan kiezen
De echte opbrengst van deze module is dus niet alleen dat cursisten iets weten over A1 tot C2, maar dat zij voortaan bewuster kijken naar begrijpelijkheid.
28. Korte samenvatting
Module 1 van Duidelijk Juridisch Schrijven leert cursisten hoe zij taalniveaus herkennen en waarom teksten te moeilijk kunnen zijn voor een brede doelgroep. De docent let vooral op zinslengte, jargon, abstractie, voorkennis en structuur, en helpt cursisten zien waarom B1 vaak de beste keuze is voor publiekscommunicatie.